1.0.12 Spelregels voor financiële functiesSpelregels voor financiële functies zijn specifiek en hebben vooral betrekking op de notatievorm van de argumenten. Uitgaande geldstromen worden binnen Excel altijd weergegeven als negatieve getallen, inkomende geldstromen als positieve getallen. Bij gebruikmaking van een functie wordt , ter bepaling van de juiste notatie voor de argumenten, bovendien altijd een vaste rol of positie verondersteld. Is eenmaal de rol bepaald, dan wordt van daaruit bekeken of sprake is van inkomende of van een uitgaande geldstromen. Bijvoorbeeld: een storting van € 1.000 op de bank wordt aangeduid met het argument -€ 1.000 als u de stortende partij bent. Bevindt u zich daarentegen in de positie van de bank, dan luidt het argument +€ 1.000. Om te oefenen met notatievormen geven we hieronder een aantal praktische voorbeelden. U hoeft zich nog niet druk te maken om de werking van de functies, deze komen uitgebreid aan bod in de volgende paragrafen. Voorbeeld 1: De betaling (rente en aflossing) op een annuitaïre lening Met de formule BET(rente;aantal-termijnen;hw;tw;type_getal) kunt u de jaarlijkse betaling op een annuïtaire lening van € 10.000 (+) die in tien jaar moet zijn afgelost, berekenen. De jaarrente bedraagt 8%. Invulling van het voorbeeld geeft: 
Dit resulteert in een jaarlijkse betaling van -€ 1.490,29. Dit is voor de lener een uitgaande betaalstroom, de lening zelf (HW = € 10.000) een inkomende stroom. Het functieargument Tw (toekomstige waarde) is gelijk nul gesteld omdat de lening na de tien termijnen volledig afbetaald is. Van belang bij dit voorbeeld is de notatiewijze van het argument Rente. Excel rekent met breuken, maar biedt bij de invulling de mogelijkheid om ook percentages in te vullen. In technische taal en in aansluiting op voorbeeld 1: perunage (0,08) of percentage (8%). In het vervolg maken we zoveel mogelijk gebruik van percentages. Voorbeeld 2: Vereiste inleg voor een gewenst spaarbedrag Als u in achttien jaar € 50.000 wilt sparen door elk jaar een vast bedrag opzij te leggen, kunt u de functie BET(rente;aantal-termijnen;hw;tw;type_getal) ook gebruiken om vast te stellen hoe hoog dit bedrag moet zijn. Als u ervan uitgaat dat u 6% rente op uw spaartegoed krijgt, kunt u met de functie uitrekenen hoeveel u elk jaar opzij moet leggen. Invulling van het voorbeeld geeft: 
Dit resulteert in -€ 1.617,82. Als u dus achttien jaar lang elk jaar dit bedrag stort op een spaarrekening met 6% rente, beschikt u aan het einde van die periode over het gewenste eindbedrag Tw van € 50.000. Nu vult u bij het argument Tw een positief bedrag in van € 50.000, zijnde het gewenste (inkomende) eindbedrag voor de spaarder. Voorbeeld 3: De bepaling van een eindbedrag bij beginstorting plus periodieke inleg Stel dat u wilt sparen voor iets dat u over een jaar wilt aanschaffen. U stort vooraf € 1.000 op een spaarrekening met een maandelijkse rente van 0,5%. U bent bovendien van plan de komende twaalf maanden aan het begin van elke maand € 100 te storten. Hoe groot is het bedrag dat na afloop van die twaalf maanden op uw rekening staat ? Met de functie TW(rente;aantal-termijnen;bet;hw;type_getal) bepaalt u de toekomstige of eindwaarde van deze reeks betalingen. Invulling van het voorbeeld geeft: 
Dit resulteert in een te ontvangen eindwaarde van € 2.301,40. De eerste storting van € 1.000 (Hw) en de periodieke betalingen van € 100 (Bet) zijn in dit voorbeeld beide voorzien van een minteken omdat ze voor de spaarder een uitgaande stroom vertegenwoordigen. |